logo espero

gebouw Espero

 

 

 
 
Hoop voor kwetsbare kinderen in een multiculturele samenleving
 

Home

 

sp    
 

Terug naar publicaties

 

Wanneer en hoe sanctioneren ?

Wanneer en hoe afzonderen ?


Bronnen:

  • Competentievergroting in de residentiële jeugdzorg. Slot & Spanjaard, 2003

  • Agressie –procedure OOOC pasrel

  • Checklist “Kinderen in afzondering”

  • Non-violent resistance (Haim Over)

  • Considering the literature on restraint and seclusion: is there support that these interventions are harmful ? (Ziegler, 2005).

  • Oplossingsgericht werken met jongeren en hun gezin, Durrant – 1994.

  • Hoe minder straffen. Driessen, 2007

  • Checklist for assessing your organization's readiness for reducing seclusion and restraint. Colton, 2004.

  • visietekst 'omgaan met agressie', adolescentenwerking

  • www.icoba.be (o.a. Omgaan met verbale agressie)

  • begeleidersoverleg 8/02/08


“Opvoeden is de kunst van balans vinden tussen waarderen en begrenzen. Je kan het vergelijken met een huis verwarmen. Stoken met de vensters open levert niets op, buiten een dure factuur. Als ouder alleen maar bevestigen, bravo roepen, begrip tonen ('we snappen dat je er niks aan doen') werkt niet. Er is ook sturing nodig, uitdaging. ‘Hey, jij kan beter. Dit is niet OK’. Deze grenzen brengen net ontwikkeling op gang, ze drukken verwachtingen uit. Waarom zou je ergens beter in worden, als niemand appeleert ? Als niemand iets verwacht ? Andersom: wie niet stookt, en alles potdicht houdt, krijgt een koud en stinkend huis. Er is nood aan warmte. Er is ook nood aan uitdaging, het is ook goed voor een gezinssysteem dat de bestaande orde, het evenwicht wordt uitgedaagd (Anoniem)”.

 

1. Afzonderen en sanctioneren

 

Als voorziening kiest Espero maximaal voor dialoog, voor samenwerken met gasten, voor activeren van eigen krachten, voor appel op eigen verantwoordelijkheid en zelfsturing. Sanctioneren en zeker afzonderen lijken als interventies niet goed in dat rijtje te passen. Toch zijn het ook nuttige en nodige interventies. Het is weinig realistisch te verwachten dat het ons altijd tijdig zal lukken om gasten zo ver te krijgen dat ze zichzelf bij te sturen, en constructief uit te leggen wat hen zo boos maakt. Soms moeten we ingrijpen om schade voor andere partijen of voor zichzelf te voorkomen.


Over sanctioneren zal er minder discussie bestaan tussen voorzieningen. Afzonderen is wel duidelijk een punt van verschil, een keuze. Er bestaat geen concencus over, niet binnen de wetenschappelijk wereld en niet tussen praktijkmensen. Espero kiest er voor om in elke werking een afzonderingsruimte te voorzien. Andere voorzieningen kiezen er bewust voor om geen afzonderingsruimte te voorzien, en in principe nooit fysiek tussen te komen. Ook voor dit standpunt valt iets te zeggen. Het creëert duidelijkheid voor begeleiders (Wat wordt er verwacht, wat niet – voorkomt gepieker genre ‘Ben ik een slechte begeleider als ik er niet fysiek tussenkom’). Vaak halen ‘tegenstanders’ ook aan dat het voor gasten vreemd is dat een begeleider, die op de eerste plaats een bondgenoot wil zijn, hen op een bepaald moment fysiek in bedwang houdt, al is dat dan om schade aan jezelf of anderen te voorkomen.


Toch zien we ook de andere kant van afzonderen. Is het niet minstens even vreemd als diezelfde bondgenoot-begeleider de politie/ambulance belt, en je laat afvoeren, of als je voorziening bruusk een einde maakt aan je begeleiding, omdat ze de veiligheid van andere bewoners niet kan garanderen (waarmee we niet willen zeggen dat dit niet ook soms nodig is,zie later). Binnen Espero geloven we dat een fysieke tussenkomst als afzondering ook zijn waarde kan hebben, omdat die net een explosie van de samenwerkingsrelatie kan voorkomen. Wanneer het moeilijke proces van een afzondering zorgvuldig verloopt, zowel tijdens als er na (aandacht voor contact herstel) hoeft afzondering niet schadelijk te zijn voor samenwerkingsrelatie (Ziegler, 2005). Integendeel: het toont stevigheid, betrokkenheid: die begeleiders hebben mij tegengehouden toon ik gevaarlijke dingen ging doen.


Een afzonderingsruimte kan een uitlaatklep zijn, waar je veilig alle woede kan uiten. Uit onderzoek blijkt dat wie een afzondering ondergaat, vaak achteraf kan zeggen dat het nodig was. Afzonderingsruimtes vergroten onze mogelijkheden om vol te houden met jongeren die ernstig acting-out symptoomgedrag stellen, zoals veel jongere uit onze doelgroep. Ze kunnen helpen voorkomen (soms, niet altijd) dat we ons behandelproces vroegtijdig moeten afbreken.


Toch blijft het zowel voor gasten als voor begeleiders een erg zware, belastende interventie, die we dan ook zo weinig mogelijk willen inzetten. Ervaringen in andere landen leren dat je door een gerichte aanpak het aantal afzonderingen sterk kan terugschroeven, maar dat je ze nooit helemaal op nul krijgt. Zo'n gerichte aanpak vraagt aandacht voor vorming, voor voldoende personeel, voor een aangename agressie-reducerende omgeving en inrichting (ruimte, lawaai,....), voor een stevig en duidelijk zichtbaar behandelaanbod, voor een goed herstel na afzondering en een goede registratie (Colton, 2004 – een spectaculair voorbeeld was een voorziening die op 4 jaar het aantal afzonderingen van 1025 kon terugbrengen naar 4)


Afzondering is de ultieme interventie, wanneer dialoog, waarschuwen, afleiden, sanctioneren, humor, ... geen impact hebben. Vandaar dat we vooraleer we over afzonderen spreken, willen denken over sanctioneren.


De overheid legt voorzieningen duidelijk limieten op in het sanctioneren en afzonderen

  • Er is het wettelijk kader van het decreet van de rechten van minderjarigen in de jeugdhulp. Dit zegt over sanctioneren dat ‘lichamelijke straffen, geestelijk geweld, onthouden van maaltijden of bezoek’ verboden is. Over afzondering wordt gezegd dat dit alleen kan als er risico is voor de fysieke integriteit van de bewoner zelf, of die van medebewoners of bij materiaalvernietigend gedrag.

  • Er zijn de Sectorale kwaliteitseisen, die aandacht vragen voor ‘respect voor de integriteit van de gebruiker’.


2. Wanneer en hoe sanctioneren1


Sancties hebben een beperkt verander-nut: het zijn externe vormen van gedragscontrole, terwijl we gasten willen leren om zelf controle te verwerven uit hun gedrag. Net als in het verkeer: camera’s kunnen er wel voor zorgen dat iedereen 50 rijdt in de buurt van de camera, maar hebben geen blijvende impact op iemands rijstijl. Sancties kunnen er enkel voor zorgen dat het gewenst gedrag gesteld wordt, zolang er iemand in de buurt is die de sanctie kan opleggen “Jongeren worden niet competent door een stelsel van regels en sancties. Belangrijker is het contact tussen groepsleiding en de jongeren, en de wijze waarop de leiding er in slaagt de momenten te benutten om jongeren vaardigheden te leren en hun meer vertrouwen in zichzelf en anderen te laten ervaren (p 218, Spanjaard & Slot). Andere risico’s van sancties: kunnen het ongewenst gedrag extra spannend-extra stoer maken, kunnen er voor zorgen dat jongeren vooral goed worden in verbergen en ontkennen van ongewenst gedrag (Driessen, p 96).


Ook al leiden sancties dus zelden tot duurzame gedragsverandering, toch vinden we ze belangrijk:

 

  • Sancties hebben een belangrijke signaalfunctie: ze zijn een manier om te laten zien dat we regels au serieux nemen. Het zijn belangrijke leermomenten, waarin we jongeren leren dat ze niet alleen op de wereld zijn, dat samenleven betekent rekening houden met anderen. Sancties zijn vaak ook gelinkt aan gevaarlijk gedrag. Ze geven informatie: opgepast, binnen onze samenleving is dit gedrag risicovol en ongewenst. De regels in de leefgroep anticiperen op de regels en verwachtingen in de samenleving (taal, op tijd zijn, respect voor andermans bezit, hygiene, ....). We bewijzen jongeren geen dienst als we hen niet voorbereiden op die samenleving, en gewoon toekijken hoe ze belangrijke vaardigheden niet leren ontwikkelen, of zelfs foute gewoontes leren (zaken afdwingen, anderen jongeren bedreigen, ....).

  • Sancties installeren rechtvaardigheid en veiligheid: het is onrechtvaardigheid dat wie zich netjes aan de regels houdt gelijk behandelt wordt als wie er zijn voeten aan veegt. Sancties voorkomen dat binnen de groep de wet van de sterkste geldt, dat de meest dominante zijn taken zou kunnen ontlopen, meer computertijd kan claimen, zijn muziek.


We verwachten dat alle medewerkers reageren op overtreden van regels, op verbale agressie naar medewerkers/gasten, op gooien met voorwerpen, vernielen van voorwerpen, op fysieke agressie, ... los van wat je persoonlijke grenzen hieromtrent zijn. Misschien laat 'putain' of 'klootzak' jou koud, maar in Espero willen we een cultuur van respect koesteren, en bewaken. De reactie op dit soort gedrag zal steeds variëren, maar essentieel is in elk geval dat het steeds expliciet gemarkeerd wordt, benoemd wordt als ongepast. We verwachten ook dat je naar collega's benoemd en bevraagd wanneer er niet opgetreden wordt.


Kenmerken van goede sancties

Het is zeker niet de pijnlijkheidsgraad die een sanctie nuttig maakt. Integendeel, te straffe sancties kunnen de samenwerkingsrelatie, ons bondgenootschap met gast, verzieken.

  • Ze zetten jongeren in een comfortabele slachtofferpositie, die aanzet tot minimaliseren (‘ik heb deze zware straf niet verdiend’, ‘jullie overdrijven’, ‘iedereen is altijd tegen mij’) eerder dan tot verantwoordelijkheid nemen.

  • De meeste jongeren in voorzieningen zijn in hun voorgeschiedenis getraind in het doorstaan van stevige straffen. (Durrant,1994: “many of children in placements are veterans of repeated and severe punishment).


Belangrijkste doel is dat de sanctie een leermoment kan zijn, kansen biedt tot reflectie en herstel.



Wat zijn kenmerken van goede sancties (Driessen)?

 

  • Geven van sancties is steeds gekoppeld aan duidelijk verwoorden van wat er wel verwacht wordt, wat het gewenste gedrag is en waarom dit gedrag beter/aangenamer is.

  • Een goede sanctie volgt voldoende snel op de feiten, zodat het conflict ook niet langer hoeft meegesleurd te worden na nodig. Soms is het wel beter om niet in het heetst van de strijd de handelen. Eerste stap is vaak de jongere rustig laten worden, adrenaline laten zakken (duurt anderhalf uur die afgebroken is !). Eens de jongere terug rustig is, kan hij hiervoor gecomplimenteerd worden, en kan er overgegaan worden op de verdere gevolgen.

  • Een goede sanctie is realistisch en uitvoerbaar. Dreigen met een sanctie die je achteraf niet kan waarmaken, is je eigen positie ondermijnen. Vaak werkt het beter om een relatief milde sanctie enkele keren consequent te herhalen. Ook de natuurlijke onaangename gevolgen zullen hun werk doen (vb. sancties op school voor te laat komen, slechte punten en ontevreden ouders bij niet studeren, tussenkomst politie bij vernieling, hogere factuur voor ouders bij schade, ...). Als een sanctie de eerste keer geen effect lijkt te hebben, is dat geen reden om meteen een veel zwaarder model boven te halen (Driessen, p 126).

  • Sancties voor grote overtredingen liggen in grote lijnen zo veel mogelijk op voorhand vast, zijn duidelijk (wat, hoelang) en worden ook consequent zo nageleefd. Het moment van conflict/overtreding is immers vaak een emotioneel beladen moment, en geen moment waarop je rustig kan nadenken als begeleider. Het is goed dan terug te kunnen vallen op algemene principes, die voor iedereen hetzelfde zijn. “Aan gedrag x, hangt prijskaartje y”. ‘In grote lijnen’, want elke situaties is ook weer anders. Om sancties voorspelbaar te houden, is het belangrijk om ze consequent door te voeren. Het kan niet dat de ene begeleider wel vasthoudt aan sanctie, en iemand anders er zonder duidelijke reden niet aan vasthoudt. Loslaten van sanctie omdat het verzet zo groot is, kan tijdelijk rust brengen, maar beloont ongewenst gedrag (verzet) dat zich de volgende keer dus nog intenser zal stellen ('als ik lang genoeg tegenspartel, laten ze mijn sanctie wel schieten'). De meeste jongeren in Espero zijn er helaas goed in getraind om lang en hevig te protesteren, omdat ze ondervonden hebben in hun voorgeschiedenis dat dit beloond werd (vb. door wegvallen van sancties).

  • Sancties zijn idealiter steeds gekoppeld aan een moment van reflectie: hoe is dit nu kunnen gebeuren ? Wat maakt dat het al zoveel keer wel goed gelopen is (geen enkele situatie loopt gelukkig elke dag op dezelfde manier mis) ? Hoe zou het een volgende keer opnieuw goed kunnen lopen ?

  • Sancties zijn beperkt in een tijd, en kunnen niet eindeloos gerekt worden. Ook als de uitvoering van de sanctie moeizaam verloopt, is het niet aangewezen om de sancties daarom te verlengen. Je kan moeilijk verwachten dat sancties met de glimlach worden uitgevoerd. Wanneer gasten wel een sanctie goed uitvoeren, verdienen ze hier complimenten voor. We proberen sancties zo op te bouwen, dat ze motiverend zijn voor wie ze goed uitvoert. Wie meewerkt, wint (vb; aangenamere taken bij schoolweigeren). Wie tegenwerkt, betaalt de volle pot, maar geen extra toeslag.

 

Mogelijke sancties binnen Espero

 

Eerste keus zijn activiteitsancties. Er wordt van de jongere verwacht dat hij/zij iets doet wat schade herstelt naar anderen of iets doet wat hem/haar confronteert met en doet nadenken over de risico’s van zijn gedrag, .... . De sanctie kan op die manier opnieuw een positieve start worden, een kans voor de jongere om zijn constructieve kant te laten zien. Bij voorkeur vragen we de jongere zelf met voorstellen te komen, want zo stimuleren we een belangrijke vaardigheid: leren herstellen, leren opkuisen van eigen rommel. Het zoeken naar passend herstel biedt kansen om te praten over de impact van gedrag, over de verschillende partijen die benadeeld werden, over het verschil tussen bedoeling en effect. Vaak is bijvoorbeeld door een conflict ook de avond van de rest van de groep verpest, en is het belangrijk dat er ook naar de groep herstel is (vb. iets maken, taken overnemen, ...). Er zijn ook nadelen aan activiteitsstraffen. Jongeren kunnen activiteitsstraffen makkelijk betwisten: “ik doe dat niet, ik heb dat niet verdiend”. Het is niet mogelijk om iemand te dwingen om iets te doen. Activiteitsstraffen vragen ook een goede opvolging, zijn tijdsintensief voor diegene die de straf geeft. Een activiteitssanctie heeft vaak een component van herstel, maar laten we niet afhangen van al dan niet berouwvol zijn van jongere: er moet iets gebeuren. Op andere momenten zullen we ons enkel beperkten tot appeleren op herstelvermogen, mee zoeken naar manieren, ... zonder dit te verplichten.


Als tweede vorm van sancties zijn onthoudingssancties nuttig. Hierbij zit je als diegene die de straf geeft, heel wat comfortabeler. Je geeft iets niet aan de jongere, wat je zelf in hand hebt (wat heel wat makkelijker is dan iets af te pakken of op te leggen). Klassiekers in gezinssituaties zijn: ‘geen desert’ of ‘geen zakgeld’, ‘geen belkrediet’. Binnen Espero kunnen onthoudingsstraffen zijn: ‘geen avondsnoep’, ‘geen internet’, ‘niet mee op activiteit’, ‘geen playstation’, ‘geen kicker’, ‘geen eigen GSm-tijd’, 'geen radio op de kamer', .... . Onthoudingstraffen zijn goed om achter de hand te houden, als jongere zijn activiteitsstraf niet wil uitvoeren. Je bent immers niet afhankelijk van de medewerking van de jongere zelf.

Kamersancties kunnen een combinaties zijn van beide vormen. De tijd op de kamer kan benut worden voor herstel- of reflectietaken. Tegelijk is er een aspect ‘onthouding’: geen TV, PC, geen gezellige tijd in de leefgroep, ... (ook al is de onthouding hier moeilijk af te dwingen: het is niet zo evident om een boze adolescent die zegt ‘ik ga niet naar mijn kamer’ toch uit de groep te krijgen). Het is belangrijk dat de kamertijd een positieve invulling krijgt, een uitnodiging tot actie of reflectie.



Onthoudingssancties

Activiteitensancties

Leefgroep 1 – LS

Geen avondsnoep / dessert

Huishoudelijke taken: afwas, vegen, ramen,…

Geen interne activiteit

Auto wassen

Vroeger in bed

T.O. opruimen

Geen computer

Cake bakken

Geen fiets / voetbal

Tekening maken

Beperking in ruimte vb 5min op stoel, in hoek

In de tuin werken

Minder leefgroeptijd

Douches kuisen

Geen radio

Avondeten opdienen

Vroeger naar kamer

Extra taak

Gaan verhaaltje voor ’t slapen

Speelgoed opruimen



Leefgroep 2 – ADO

Geen PC / PS / radio (geen PC makkelijk te realiseren door geen toetsenbord !)

Nadenkblad

Niet mee op activiteit op woensdag

Klusjes: poetsen / koken

Op kamer

Iets maken om schade te herstellen – focus op natuurlijke gevolgen van gedrag

Geen vrije avond


Vroeger gaan slapen


Geen snoep / koeken


Geen telefoon ???



Wanneer sanctioneren – wanneer negeren ?

 

Negeren van onschuldig storend gedrag, je niet zomaar laten meezuigen in een conflict is een belangrijke vaardigheid. Onderzoek toont aan dat 90 % van onaangenaam gedrag in relatie wordt genegeerd. Vooral belangrijk: zowel in koppel-relaties als in ouder-kindrelaties toont pathologie zich in het niet meer kunnen negeren, maar net geirriteerd reageren. Gedragsproblemen/relatieproblemen ontstaan als relatief onschuldig gedrag leidt tot een negatieve respons van de ander ( ‘the other person’s negative synchronous reaction is what determines wheter simple aversive ouvertures become active conflicts ... Clinical families are twice as likely as members of normal families to react in negative fashion’ (patterson 1992, p 49).


Toch kan je in een leefgroepcontext storend gedrag vaak niet zomaar negeren

  • Negeren door groepsleiding werkt niet als de groepsgenoten ondertussen het storend gedrag belonen.

  • Negeren leidt in de meeste instantie eerst tot toename in ernst/frekwentie, zeker bij jongere die getraind zijn in meezuigen van anderen in conflicten. Het is makkelijker om eerder in te grijpen.


Spanjaard en Slot stellen waar mogelijk ‘selectief negeren’ voor als alternatief (Spanjaard & Slot). Heel wat gedrag is immers vaak dubbel: in vorm provocerend, maar eigenlijk wel doen wat er gevraagd wordt. Vb. met het nodige bezwaar toch aan tafel komen, toch taak beginnen, toch PC doorgeven, toch televisie stiller zetten, .... . Je kan dan inzoomen op het ‘protesteren’ of op het ‘uiteindelijk toch doen’. Een complimentje over dat laatste werkt vaak beter dan een zure opmerking over het eerste. “p 173: via sturende feedback wordt de aandacht gericht op het adequaat gedraag en raakt het inadequaat gedrag op de achtergrond”. Het is de moeite dit eerst te proberen, maar als het storend gedrag aanhoudt is corrigerende feedback op zijn plaats.


Een voorbeeld van selectief negeren: Bij het begin van het avondeten moet er op Leo gewacht worden, hij zit aand e telefoon. De anderen worden ongeduldig, beginnen te roepen: “geef het op, dat meisje ziet toch niets in jou”. Leo stopt met bellen, ploft met veel lawai op zijn stoel en zegt: jullie moeten je mond houden over mijn vriendin. Groepsleider hennie zegt: “Leo,prima dat je er bent, dan kunnen we beginnen” (Spanjaard & Slot, p172).


Negeren is vooral aan de orde bij frustratie-agressie. Aanvullen onderscheid – vershcil in aanpak


Goed waarschuwen

 

Waarschuwingen geven is belangrijk: vaak hebben jongeren wel de vaardigheden, maar hebben ze niet door dat het hoog tijd wordt om ze te gebruiken. Geregeld wordt er in leefgroepen gewerkt met geven van een vast aantal waarschuwingen. Dat geeft extra voorspelbaarheid, en voorkomt tegelijk ook dat we vrijblijvend blijven waarschuwen. In de lagere schoolwerking gebeurt dit door drie-streepjessysteem: na enklele opmerkingen verliezen gasten een streepje. Wie een streepje kwijt is gaat even 5 minuten afkoelen op de kamer. Wie drie streepjes kwijt is, brengt de rest van de avond op zijn kamer door (tenziij dit reeds voor eten zou gebeuren).



3. Wanneer en hoe afzonderen

 

Als conflicten ontstaan, reageren we eerst met allerlei vormen van constructief conflicthanteringsgedrag. Begeleiders hebben immers een belangrijke voorbeeldfunctie: de manier waarop wij omgaan met provocaties, zal steeds indirect ook impact hebben op de gasten.


Stap 1: De-escalerende interventies

    • Benoemen van emoties: Ik merk dat dit iets heel belangrijk is, dat het heel vervelend is, dat je precies iets anders had verwacht, ...


    • Uitgebreid luisteren en laten beschrijven, vooraleer je gaat argumenteren (reconstructie van tijdslijn). Laat de jongere vertellen vanaf het moment dat hij nog rustig was, vraag veel details (hoe keek de ander ? waar stond hij? ....). Zo zet je hem/haar in een beschrijvende modus, die moeilijk te rijmen valt met een conflictmodus. Je maakt duidelijk dat je graag wil begrijpen wat jongere is overkomen, waarom hij zo overstuur is. Dit vraagt voldoende tijd, en een rustige ruimte. Vaak is het realistischer om een aanbod te doen later op de avond, en wel al te benoemen: 'ik zie dat er iets op je lever ligt. Willen we sraks tijdens kameruur even tijd nemen. Wat kan je in tussentijd doen om je gedachten wat te verzetten'.

    • Humor

    • Afleiding/Afkoeling voorstellen


    • Contact maken met gezonde episodes: vorige week ging dat toch als een fluitje van een cent, hoe heb je dat toen gedaan ? Hoe ben je de vorige keer rustig geworden toen je dit meemaakte ?

    • Conflict doorgeven aan andere begeleider/andere persoon: ik merk dat ik je alleen maar bozer maak, is het een idee dat ik even aan andere begeleider vraag om... ? Wie zou je wel kunnen begrijpen nu, met wie zou je kunnen bellen/langsgaan/.... ?

    • Een rustige plek zoeken !! vermijd discussies in de gang, in de leefgroep, al rechtsstaand. Zorg dat je kan zitten, op een plek zonder publiek.

    • ....


Stap 2: Discussie stil leggen – afstand installeren

Als conflict desondanks verder escaleert (meer roepen, tieren, verbale agressie), en de gast niet reageert op uitnodigingen tot rustig gesprek, of op appel om af te koelen, zullen we de conflictinteractie stil proberen te leggen, en afstand en afkoeling installeren. We benoemen kort dat we op deze manier geen stap dichter bij een oplossing geraken, en zo niet verder willen praten. De toon wordt kort en zakelijk, alle verdere argumenten en pogingen om in discussie te gaan worden afgeblokt. We blijven uit de inhoud, we beperken ons tot het herhalen van wat er verwacht wordt (meestal: rustig worden, kamer opzoeken,...). Vaak is het goed om ook fysieke afstand in te bouwen, door ofwel de jongere vragen weg te gaan (naar kamer, naar buiten), of als het kan door zelf weg te gaan en zo de jongere even tijd te geven om wat te zakken, en eventueel alsnog te doen wat er van hem gevraagd wordt (“ik laat u even. Ik kom binnen 5 minuten terug en ik hoop dat je tegen dan wat rustiger kan worden, en aan je taak begint” - Vaak werkt dit beter dan: “ik blijf hier nu staan kijken tot het gebeurd is”). Het is erg moeilijk om in conflict te blijven met iemand die er niet is, aanwezigheid geeft net zuurstof aan het conflict.


Fysiek contact is op dit moment zeker te mijden, om verdere escalatie te voorkomen (genre “blijf van mijn lijf”). Bij adolescenten is fysiek contact sowieso een meer beladen thema dan bij lagere schoolkinderen, en leidt het bijna gegarandeerd tot verdere escalaties. Lagere schoolkinderen zijn dit soort interventies meer gewoon, en zullen er minder op flippen. Toch is het ook bij hen iets om omzichtig mee om te springen.



Stap 3: mogelijkheid van afzondering afwegen tegen bellen politie

Afzondering komt pas in beeld als gast in conflict blijft gaan, en gedrag stelt of dreigt te stellen dat voor hemzelf of voor anderen gevaarlijk/schadelijk is. We vinden het een belangrijke ethische norm dat niemand het recht heeft om anderen schade toe te brengen, en zullen hier dan ook over waken, en diegene die dat doet desnoods fysiek proberen te stoppen. Ook het vernielen van collectief materiaal, beschouwen we als schade aan anderen.


Wat met verbale agressie ? Als een jongere in een bui van woede of frustratie er enkele scheldwoorden uitgooit, kiezen we ervoor om geen extra olie op het vuur te gooien. Het is wel belangrijk om op te merken en duidelijk te markeren dat we op die manier niet verder praten, dat dit niet OK is voor ons. Als een jongere aanhoudend en langdurig intens verbaal agressief is naar één bepaalde gast of één begeleider, is dat een heel andere dynamiek. Hoewel we hier op de eerste plaats zullen ‘afzonderen’ door naar de kamer te sturen, kan op een bepaald moment ook hier fysiek begeleiden naar TO-ruimte enige alternatief zijn.


Afzondering is een interventie die kan, maar niet moet. Het is geen ‘zwakte’ als een begeleider niet tot afzondering is overgegaan, maar terechte voorzichtigheid. Eigen veiligheid en die van andere gasten primeren steeds. Wanneer er een fysieke overmacht is, of wanneer je als begeleider zelf niet langer voldoende rustig bent om gast naar afzonderingsruimte te brengen, is het de taak van de begeleider om politie in te schakelen, en zichzelf en eventueel andere gasten in veiligheid te brengen. Tijdig overleggen met de crisispermanent kan mee helpen om deze stap voldoende snel te zetten. In eerste instantie wordt de wijkpolitie gebeld (weekdagen van 7u tot 21u). Daarbuiten wordt de dispatching gebeld. Bij dringende noodsituatie dient er rechtsstreeks naar de officier van wacht gebeld te worden (nummers in secretariaat)


Bij overgaan tot afzondering gelden in de mate van het mogelijke steeds volgende randvoorwaarden:


    • Gast krijgt minstens één expliciete verbale waarschuwing. “Ik wil dat je nu stopt en rustiger wordt. Anders brengen we je naar de afzonderingsruimte”. In regel proberen we eerst nog op de kamer/even naar buiten, tenzij gast dermate over zijn toeren is, dat risico op vernieling/beschadiging erg groot is. We vragen gast eerst om zelf naar afzonderingsruimte te gaan.

    • Afzondering gebeurt waar mogelijk met 2 begeleiders, waarbij er één duidelijk de leiding neemt, en de andere back-up is (in regel diegene die bij conflict wordt gehaald)

      • Practisch: deuren openen, ....

      • Verbaal begeleidend: duidelijk zeggen

        • wat er in time-out verwacht wordt (we brengen je naar hier om rustig te worden)

        • hoelang het gaat duren (binnen vb. 10 minuten komen we kijken) en

        • wat er daarna gaat gebeuren (als wij vinden dat je rustig genoeg bent, kan je naar je kamer gaan).

      • Symbolisch: het gaat niet om een persoonlijke conflict of machtstrijd, tussen gast en deze begeleider, maar om iets tussen gast en espero.

      • Ter ondersteuning achteraf: om achteraf een luisterend oor en collegiale toets te hebben.

    • Minstens 4 x per jaar worden twee basistechnieken om gasten naar afzondering te brengen geoefend. Nieuwe begeleiders worden hierin getraind. Bij begeleiden naar afzondering mogen mond of keel nooit geklemd worden.

    • Bij gasten die een geschiedenis hebben van opsluiting worden extra omzichtig omgesprongen met afzondering, en wordt extra benadrukt dat het om iets tijdelijk gaat, dat er geregeld iemand komt kijken of alles OK is, .... . Bij start van opname is er extra aandacht voor uitleg naar deze gasten.

    • Elke afzondering wordt geregistreerd, en achteraf besproken op het team. Ouders worden de dag zelf of de dag erna gebeld, zeker de eerste keren.Als er geregeld time-outs zijn vragen we aan ouders of ze nog elke keer gebeld willen worden.

    • Eens de rust is weergekeerd, is er contactherstel: ervaring wordt bespreekbaar gesteld: ‘Dat was heel hevig en moeilijk. Hoe kunnen we dat volgende keer voorkomen ? Hoe gaan we sneller merken dat je aan het overkoken bent ?’. Wanneer het kan nog de dag zelf, anders een van de de volgende dagen, om conflict niet opnieuw op te rakelen.


Belangrijkste afwegingen bij inzet van afzondering: (1) is er dreigend gevaar voor schade (en dat is meer dan een gast die lastig/ambetant doet, of iets tijdelijk ongemakkelijk als kletsen met een deur, bonken op een muur, ... ) en (2) is er geen andere manier om dit te voorkomen en (3) is er geen gevaar voor mijn eigen veiligheid of die van andere gasten ?


Weglopers zullen we in principe niet fysiek tegenhouden, tenzij er ook daar indicatoren zijn voor bijvoorbeeld suicide. Dat wie over zijn toeren is, buiten gaat afkoelen is op zich gezond gedrag, en hierover bestaan afspraken (vb. Lagere school: op domein blijven, binnen 15 minuten terug, voor adolescenten: vanaf twee uur na 'verdwijning' start wegloopprocedure.


 

Stap 4: Politie inschakelen

Wanneer zelf een afzondering uitvoeren niet op een veilige of voldoende rustige manier kan gebeuren, wordt de politie gebeld. De crisispermanent wordt ook zo spoedig mogelijk verwittigd, en komt op, om nazorg voor begeleider op te starten, en contacten met politie – ouders -.... mee over te nemen.


Criteria voor afzonderingsruimte

        • Zachte wandbekleding

        • Verwarmde ruimte

        • Verlichting langs buiten te bedienen, geen electriciteitspunten bereikbaar in de ruimte.

        • Mogelijkheid tot inkijk

        • Vensters/daglicht, maar goed afgedekt

        • Stevige deur, die uit zichzelf in slot valt (geen gedoe met sleutels)


Criteria voor afzonderingstijd

Het is belangrijk om de afzonderingstijd goed te structuren:

  • door aan te geven wat er na de afzonderingsperiode komt (naar de kamer)

  • door aan te geven dat er minimaal om de 15 minuten iemand komt kijken


Dergelijke intense conflicten laten je als begeleider niet onberoerd. Je maakt heel wat emoties door. Vanuit Espero proberen we goede nazorg te bieden. Hierover lees je meer in procedure nazorg.

 

1 We kiezen bewust voor ‘sanctie’ in plaats van ‘straf’. Straf roept een beeld op van iets aversiefs, pijnlijks. Dat hoeft een sanctie niet per se, of misschien zelfs liever niet, te zijn.


   
  lo TOP ro  
sp    

OBC - ESPERO Kloosterstraat 79, 1745 Opwijk * 052/35.79.37 *